Kunst en crisis in Vlaanderen

October 1, 2009

Sinds het uitbreken van de kredietcrisis zijn veel bedrijfstakstudies verschenen om de invloed daarvan in kaart te brengen. De kunstensector die zich doorgaans in veel publicitaire aandacht mag verheugen, ontbreekt opvallend genoeg. De ontwikkelingen die in dit verband te melden zijn, doen zich bovendien vooral in de Verenigde Staten voor; sterke terugval in kaartverkoop en het droogvallen van sponsorbronnen zijn de doodssteek voor concertreeksen en theatervoorstellingen. Het slagveld was zo groot dat president Obama aanleiding zag $ 50 miljoen van zijn herstelplan voor de kunsten te reserveren. Geen groot budget maar van grote symbolische waarde vanwege de aversie in de Amerikaanse samenleving jegens kunstsubsidiering. In Europa waar overheidssteun voor kunst veel meer geaccepteerd is, wordt daar zelfs nog niet over gesproken. De oorzaak voor deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid ligt in de verschillende beleidssystemen.

In Europa ligt de passie van oude vorstenhuizen ten grondslag aan de huidige overheidssubsidiering. Met de overgang naar parlementaire democratieën is kunst op vanzelfsprekende wijze object van overheidsbemoeienis geworden. Kenmerkend is dat het parlement zowel de hoogte van het budget bepaalt als ook de verdeling over instellingen. Door de toegenomen complexiteit en gevoeligheid laten overheden zich daarbij in toenemende mate adviseren door deskundigen. Tegenover dit gouvernementele systeem staat het fondssysteem zoals dat na de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk is ontwikkeld door de vermaarde econoom John Maynard Keynes. Hij ontwierp een besturingsmodel waarin de volksvertegenwoordiging wel de hoogte van het totale subsidiebudget bepaalt maar de aanwending ervan overlaat aan een fonds. Om deze Arts Council een vliegende start te geven, nam hij zelf als eerste de voorzittersrol op zich. Dit model is later overgenomen in de Verenigde Staten, Canada en Australie.

Er is een significant verschil in economische manifestatie van beide systemen. Het eerste vergelijkende onderzoek dateert uit 1987 en laat zien dat per hoofd van de bevolking in Frankrijk $ 35,- en in West-Duitsland $ 39,- aan overheidssubsidie wordt gegeven terwijl dat in het Verenigd Koninkrijk slechts $ 16,- is. Uit eigen onderzoek komt naar voren dat deze verschillen in de tijd alleen maar toegenomen zijn; Frankrijk en Duitsland noteren in 2004 respectievelijk €34,- en €37,- en het Verenigd Koninkrijk nog maar € 7,50. De kloof lijkt in zeventien jaar verdubbeld. In verklarende zin kan gewezen worden op de traditionele verschillen in benadering. Kunst lijkt op het Europese continent te behoren tot het collectieve domein; als de samenleving zich niet verantwoordelijk toont zal de kunst verdwijnen. In de Anglo Saksische wereld wordt kunst beschouwd als een privaat artikel dat zijn bestaansrecht op de markt moet bewijzen. Deze tegengestelde attitudes resoneren in het economisch functioneren van kunstinstellingen. Zo financieren de 143 Theaterunternehmen in Duitsland gemiddeld 83% van hun totale kosten uit overheidssubsidies terwijl de Britse podiumkunstinstellingen gemiddeld slechts 44% van Arts Council en lagere overheden ontvangen. In het fondssysteem ligt de nadruk in de exploitatie dus op de private inkomsten die in tijden van economische crisis onder druk kunnen komen te staan. In het gouvernementele systeem hebben overheden het grootste deel van het exploitatierisico met subsidies afgedekt waarmee de invloed van de crisis in hoge mate is beperkt.

Vlaanderen behoort in essentie tot het gouvernementele kamp maar de economische kengetallen laten een genuanceerder beeld zien. Bij het aantreden van Bert Anciaux als minister van Cultuur in 1999 werd globaal 70 miljoen aan kunst besteed. Omgerekend betekent dit ongeveer € 11,50 per hoofd van de bevolking hetgeen veel dichter tegen Groot Brittannië aanligt dan de continentale buurlanden. Blijkbaar is dit de Vlaamse minister een doorn in het oog geweest want hij heeft een enorme inhaalslag gerealiseerd. Tot zijn laatste daden behoorde de vaststelling van de budgetten van het Kunstendecreet 2010-2012. Hierin wordt een totaal budget voor de kunsten in 2010 aangekondigd van 200 miljoen. Deze verdrievoudiging ten opzichte van 1999 impliceert een per capita uitgave van € 33,- waarmee het een goede middenmoter in het gouvernementele peloton is geworden. Een huzarenstukje van Anciaux waarvoor hij in kunstkringen ongetwijfeld hogelijk gewaardeerd wordt. Het betekent in ieder geval dat de Vlaamse kunstinstellingen met beter gevulde weerstandskassen de crisis in gaan. Toch heeft dit beleid ook een keerzijde waarvan de gevolgen goed zichtbaar zijn in Nederland. Het ruimhartige subsidiebeleid dat daar al decennia wordt gevoerd, heeft geleid tot een vorm van subsidieverslaving. Dit is onder meer zichtbaar in het lage percentage eigen inkomsten: in Nederland is dit gemiddeld 20% terwijl de Vlaamse gesubsidieerde podiumkunstinstellingen 38% zelf verdienen en de Engelsen zelfs 55%. De grote afhankelijkheid van subsidie lijkt ook een tekort aan capabele kunstondernemers te veroorzaken. Het kan geen toeval zijn dat enkele van de grootste en meest succesvolle kunstinstellingen waaronder het Koninklijk Concertgebouw Orkest en Toneelgroep Amsterdam door Vlamingen worden geleid. Het excellente culturele ondernemerschap waarmee zij hun instellingen in de internationale voorhoede manoeuvreren, vindt ongetwijfeld zijn oorsprong in de recente Vlaamse historie van terughoudend overheidsbeleid en de noodzaak voldoende eigen inkomsten te genereren. Juist in tijden van crisis kan dat ondernemend vermogen een doorslaggevende factor zijn.

Comments are closed.