Kunsten in crisistijd

October 1, 2009

Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn

Robert Redford, de succesvolle Amerikaanse filmacteur, had naar verluid aan één telefoontje genoeg om president Obama ertoe aan te zetten $ 50 miljoen van zijn herstelplan aan de kunsten te besteden. Uit de Nederlandse omgeving zijn geen vergelijkbare initiatieven bekend en dat ligt niet alleen aan onze minister-president die slechts belbaar schijnt te zijn voor Jan Smit. De Nederlandse kunstensector heeft zich de laatste decennia laten gelden als een uiterst effectieve lobbygroep. Dat komt onder meer tot uitdrukking in een gestaag groeiend budget voor kunstsubsidies in zowel absolute als relatieve zin. De huidige afwezigheid van kunstenaars in het koor van hulpvragende slachtoffers van de economische crisis doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een crisisbestendige sector. Dat wordt bevestigd door een nadere beschouwing van de belangrijkste inkomstenbronnen: gemiddeld 70 procent wordt verkregen uit subsidie, 10 procent van fondsen en 20 procent via eigen inkomsten. Aangezien de meeste subsidies worden verstrekt in het kader van een vierjarenplan, zijn de kunstinstellingen tot 2012 verzekerd van 70 procent van het huidige inkomstenniveau. De bijdragen uit private fondsen staan wel onder druk. Een aantal, waaronder het prominente VSB-fonds, heeft het belegd vermogen zien verdampen zodat minder projectsubsidies kunnen worden gegeven. Maar gelukkig stijgen de beurskoersen alweer. Van de eigen inkomsten vormen de kaartverkopen het leeuwendeel. Vooralsnog ontbreken tekenen dat het publiek het aankomende seizoen in betekenende mate zal wegblijven. Kunstconsumenten zijn door de bank genomen hoger opgeleid, beter verdienend en opvallend toegewijd aan de kunsten. Wel te lijden hebben de kunstbedrijven die verhoudingsgewijs veel eigen inkomsten uit sponsorgelden halen, zoals het Concertgebouworkest.

Per saldo kan worden geconstateerd dat de gesubsidieerde kunsten in Nederland behoorlijk recessiebestendig zijn: slechts bijdragen van sponsoren en private fondsen lopen terug, maar deze zijn in de regel projectgebonden zodat de continuïteit van de instelling niet in gevaar komt. Deze comfortabele positie is in hoge mate gebaseerd op structurele overheidssteun. Daarin schuilt precies het gevaar op langere termijn. Prinsjesdag 2009 heeft menige belangengroep aan het denken gezet. De aankondiging van een grootscheepse bezuinigingsoperatie bij de rijksoverheid van wellicht 35 miljard dient immers als alarmbel opgevat te worden. Het is nauwelijks voor te stellen dat de kunstensector de bezuinigingsdans zal ontspringen, mede vanwege de op handen zijnde veranderingen in het politieke landschap. Geert Wilders heeft al laten weten korte metten te willen maken met kunstsubsidies omdat het hier linkse hobbies zou betreffen. Dat de PVV hiermee wederom trefzeker inspeelt op latente gevoelens in de samenleving, blijkt uit onderzoeken van het SCP uit 1984 en 2008. Kunst wordt daarin na defensie als goede tweede genoemd op de ranglijst van beleidsterreinen waarop de overheid bij voorkeur kan bezuinigen. Zo bezien lijkt de kunstwereld op het konijn dat starend in de koplamp zijn ondergang op zich af ziet komen. Gelukkig is dit doemscenario niet onontkoombaar.

Als de overheid 20 procent bezuinigt op alle subsidies, moeten kunstinstellingen rekening houden met een verlies van inkomen van 14 procent. Dat verlies kan gecompenseerd worden door de eigen inkomsten op te schroeven van 20 naar 34 procent. Is dat een onmogelijke opgave? Niet als we naar de ons omringende landen kijken. In Duitsland genereren kunstinstellingen gemiddeld weliswaar nog minder eigen inkomsten, maar in Vlaanderen wordt 38 procent aan eigen inkomsten binnengehaald en in het Verenigd Koninkrijk zelfs 46 procent. Bovendien worden in het Verenigd Koninkrijk met minder subsidie meer voorstellingen en meer bezoek per hoofd van de bevolking gerealiseerd. Cruciaal in het Britse systeem is de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de sector en de instellingen. De mogelijkheid om bij tegenslag direct een beroep te doen op de overheid is afgesneden door de instelling van een fonds. Deze Arts Council beoordeelt instellingen niet alleen op kwaliteit, maar ook op maatschappelijk functioneren en economisch presteren. Ook is in Groot Brittannië veel meer oog voor de specifieke kenmerken van de kunstmarkt, die zich onder meer uiten in structureel overaanbod en grote productonzekerheid. Deze eigenschappen stellen hoge eisen aan het kunstmanagement. In het Verenigd Koninkrijk zijn daarvoor hoogwaardige opleidingsmogelijkheden gecreëerd in de vorm van drie Arts & Culture MBAs en enkele kunstvorm-specifieke programma’s. Gordon Brown heeft in zijn vorige functie als minister van Financiën hiervoor £ 12 miljoen beschikbaar gesteld. In Nederland ontbreekt het aan zulke topopleidingen. Sterker nog: “economie” en “management” worden binnen de kunstsector door velen als minderwaardige activiteiten beschouwd, die hooguit dienend en zeker niet leidend mogen optreden.

Het beleid van minister Ronald Plasterk beweegt in de richting van het Britse model. Zo is voorzien in een grotere rol voor de fondsen, zodat de traditionele strategie van het rechtstreeks Kamerleden bewerken aan effectiviteit zal verliezen. Ook worden kunstinstellingen geacht de komende jaren telkens één procent meer eigen inkomsten te verwerven. In het licht van de aanstormende budgettaire krapte zal dat straks te weinig en te laat blijken te zijn. Van de minister valt voorlopig geen helpende hand te verwachten. Het is daarom hoog tijd dat de kunstsector zichzelf versterkt door in te zetten op een geringere afhankelijkheid van het overheidsinfuus. Voor de kunsten geldt het adagium van Barack Obama: gebruik de crisis om broodnodige veranderingen aan te brengen.

Pim van Klink is initiatiefnemer van een Arts&Culture MBA bij Nyenrode. Daarnaast is hij gasthoogleraar Kunsteconomie aan de Universiteit Antwerpen. Arjen van Witteloostuijn is als hoogleraar Economie verbonden aan dezelfde instelling en aan Utrecht Universiteit.

Comments are closed.