Kaalslag of keerpunt

October 16, 2010

Culturele kaalslag is het gevolg van de kabinetsplannen om euro 200 mln te bezuinigen op cultuur, althans als we vertegenwoordigers van de sector mogen geloven. De vraag is gerechtvaardigd hoe reëel dit doemscenario is of dat zich, zoals in iedere crisis, ook kansen op verbetering voordoen.

Centraal staat de veronderstelling dat de hoogte van de overheidssubsidies aan kunst bepalend is voor kwaliteit en dynamiek van kunst. Al bij een eerste oppervlakkige beschouwing houdt deze hypothese geen stand.

In New York, ‘cultural capital of the world’, wordt minder kunstsubsidie gegeven dan in Den Haag terwijl op federaal niveau nog niet de helft van het Nederlandse budget aan kunst wordt besteed. Overheidssubsidie wordt daar beschouwd als ‘cultivating mediocracy’.

De doemdenkers zullen repliceren dat de Amerikaanse samenleving niet vergelijkbaar is met de Europese, zeker op het terrein van de kunsten. Een blik op de verhoudingen binnen Europa leert dat Nederland fier aan kop gaat als het gaat om kunstsubsidie per hoofd van de bevolking. Toch zal niemand durven beweren dat het Nederlandse kunstleven op een veel hoger plan staat of, omgekeerd, dat er in Duitsland, Engeland of Frankrijk een culturele woestenij heerst. De hoogte van de kunstsubsidies blijkt dus geenszins bepalend te zijn voor de kwaliteit van het kunstleven.

Concentreren we ons op de Nederlandse situatie dan blijkt het rijkskunstbudget in de periode 1980 tot 2010 gestegen van f 200 mln tot euro 450 mln. Gecorrigeerd voor inflatie en bevolkingsgroei heeft in dit tijdsbestek een reële toename van het rijkssubsidie plaatsgevonden van 250%. Dit heeft geleid tot een stijging van het aantal voorstellingen met bijna 100%, terwijl het bezoek slechts met 38% is toegenomen.

Deze cijfers wijzen onmiskenbaar in de richting van een toegenomen inefficiëntie bij de productie van podiumkunsten. Daarbij moet niet zozeer gedacht worden aan vervetting binnen instellingen als wel verdeling over een sterk gestegen aantal instellingen. Grote versnipperaar is staatssecretaris Rick van der Ploeg die in 2000 maar liefst 168 nieuwe kunstinstellingen tot rijkssubsidiëring toelaat, een verdubbeling op dat moment.

Schaalverkleining heeft een groot deel van de stijging van het subsidiebudget opgeslokt omdat iedere organisatie zijn eigen backoffice in huis wil hebben. Een andere productiestructuur kan een groot financieel voordeel opleveren zonder de kunstproductie aan te tasten. Gedacht kan worden aan zowel samenvoeging van gelijksoortige instellingen om bedrijfseconomische reden als regionale bundeling van orkest, toneel- en dansgezelschap naar het model van het Duitse Stadttheater. Bezuinigingen van euro 25 mln tot euro 50 mln liggen hier binnen handbereik.

Verder dienen de ogen niet gesloten te worden voor de sluipend voortgeschreden bureaucratisering in het kunstbestel door de gehanteerde kunstenplansystematiek. De procedure van open inschrijving heeft een enorme aanzuigende werking gehad waardoor in twintig jaar een verviervoudiging van het aantal subsidieverzoeken is opgetreden.

Parallel hieraan is een sterke juridisering opgetreden in het beleidsproces met als gevolg een explosieve toename van administratieve rompslomp. Eigen berekeningen in het kader van promotieonderzoek taxeren deze lastendruk op euro 10 mln à euro 15 mln. Afschaffing van de plansystematiek genereert dus bezuinigingswinst, draagt bij aan de kabinetsdoelstelling van verkleining van het ambtelijk apparaat en schept letterlijk meer ruimte voor kunstproductie.

Een ander opvallend verschijnsel is de relatieve afname van de publieke belangstelling. In een tijdvak waarin het besteedbaar inkomen en het opleidingsniveau van de bevolking substantieel zijn gestegen, is het bezoek aanzienlijk achtergebleven bij de stijging van het aanbod. Aangezien het totale bezoek aan theaters in Nederland wel fors is toegenomen door cabaret, musical en popmuziek, dient de verklaring gezocht te worden in de aard van het gesubsidieerde aanbod.

Het oordeel over subsidieverzoeken is uitbesteed aan adviescommissies van deskundigen, vergelijkbaar met de wetenschappelijke wereld. Echter, waar in de wetenschap onderzoek voortborduurt op eerder werk en nieuwe inzichten moet opleveren, is dat in de kunst niet het geval. Kunst heeft een maatschappelijke functie en wil zo veel mogelijk publiek bereiken.

‘Peer review’ is om die reden geen adequaat selectiemiddel en heeft geleid tot kunst voor een culturele voorhoede. Het kan als oorzaak worden gezien van het slechte imago dat de kunst in Nederland bij brede lagen van de bevolking aankleeft en waar de PVV zijn politieke stellingname op baseert. Afschaffing van de deskundigenselectie maakt de weg vrij voor een veel publieksgerichter beleid bij kunstinstellingen.

Welke budgettaire gevolgen dit zou kunnen hebben, blijkt uit een oriëntatie over de grens. De Nederlandse gesubsidieerde podiumkunstinstellingen verdienen, evenals de Duitse Stadttheaters, 20% van hun totale kosten aan de kassa. De Vlaamse instellingen doen het aanmerkelijk beter met 35%, terwijl de Engelsen 50% en de Amerikanen zelfs meer dan 60% aan box-office behalen.

Als de Nederlandse kunstinstellingen het Vlaamse percentage realiseren, zou dat euro 35 mln extra inkomsten genereren en bij het Engelse gemiddelde zelfs euro 80 mln extra.

Om dit te effectueren, kan niet volstaan worden met een wijziging van de beoordelingssystematiek. De kwaliteit van het management is misschien nog wel een grotere barrière. Het primaat van het artistieke beleid bij het verkrijgen van subsidie heeft een verwaarlozing van de zakelijke kant van het kunstbedrijf tot gevolg gehad. Het ontbreken van urgentie om een scherp bedrijfsbeleid te voeren, heeft de zakelijk leider gedegradeerd tot stafmedewerker van de artistieke directie. Bovendien is de doorloopsnelheid van zakelijk leiders de laatste jaren schrikbarend gestegen waardoor opbouw van expertise bemoeilijkt is. Juist in deze tijd is bekwaam leiderschap van levensbelang om de sector kansrijk door woelige baren te laveren. In Engeland heeft toenmalig minister van financiën Gordon Brown £ 12 mln beschikbaar gesteld ter versterking van het cultuurmanagement. Die uitgave betaalt zich ruimschoots terug aan de kassa van de kunstinstellingen.

Zo tekenen zich de contouren af van een alternatief scenario. De pijlers zijn een zuivering van het beleidssysteem van bureaucratie en perverse prikkels, een centrale regie ter optimalisering van de productiestructuur en sterke stimulering van ondernemerschap. Alleen al in de kunstensector kan dit op korte termijn een besparing opleveren van euro 50 mln, binnen enkele jaren oplopend naar euro 100 mln à euro 150 mln. Niet door botweg subsidie te beëindigen maar door het creëren van omstandigheden waarin kunstinstellingen hun eigen bestaan maatschappelijk kunnen legitimeren.

Tenslotte leveren onze buren het meest overtuigende bewijs dat bezuinigingen niet tot kaalslag hoeven te leiden. Begin jaren tachtig zijn in Engeland en Vlaanderen de kunstsubsidies in vergelijkbare mate gekort.

Het markeert in beide gevallen het begin van een opmerkelijke bloeiperiode. In Vlaanderen is een zeer getalenteerde generatie dans- en theatermakers opgestaan, terwijl in Engeland de ‘community arts’ een hoge vlucht hebben genomen. We kijken reikhalzend uit naar de explosie van talent in eigen land als gevolg van de plannen van het kabinet-Rutte.

De ervaring in Engeland en Vlaanderen leert dat korten op kunstsubsidies niet hoeft te leiden tot een culturele kaalslag. Integendeel: een einde aan de perverse prikkels van overheidsgeld kan een artistieke explosie ontketenen.

Comments are closed.