De werkelijke pijn van het Raadsadvies

July 11, 2012

Het advies van de Raad voor Cultuur heeft in Brabant tot de bekende Pavlovreacties geleid. Het Brabants Dagblad kopt met ‘ kaalslag in kunst Brabant’ en gedeputeerde voor cultuur Brigitte van Haaften spreekt van een ‘klap voor Brabant’. Op de keper beschouwt wordt slechts een instelling direct in zijn voortbestaan bedreigd en dat is Danshuis Station Zuid. In relatie tot de geringe bezoekersaantallen van dit gezelschap kan hier moeilijk van een kaalslag worden gesproken en de suggestie dat Brabant hier extra moet bloeden kan eenvoudig weerlegd worden door te wijzen op het noorden waar Noord Nederlandse Dans eenzelfde lot ondergaat. De werkelijke beleidsmatige verklaring hiervoor is gelegen in de marginalisering van de kleinere dansgroepen in Nederland die de afgelopen jaren steeds minder voorstellingen van hun producties konden slijten aan theaters omdat er steeds minder publiek op afkwam. Het is noch Station Zuid noch NND maar ook bijvoorbeeld het randstedelijk Internationaal Danstheater niet gelukt om zich daaraan te onttrekken. Sneu voor de mensen die het betreft maar begrijpelijk vanuit het standpunt van beleidsmakers die minder geld te verdelen hebben.

Ook over de zuidelijke orkesten hoeft geen regionale klaagzang te worden aangeheven. De Raad is zich goed bewust van de bestaande barrieres om te komen tot een samenwerking die werkelijk bijdraagt aan een kostenbesparing die noodzakelijk is om binnen de beschikbare budgetten een kansrijk artistiek beleid te ontwikkelen. Daar waar partijen er om begrijpelijke redenen zelf niet uitkomen, dwingt de Raad hen er feitelijk toe. En onder deze druk zullen de weerstanden vervloeien. Per saldo kan dit voor het zuidelijk landsdeel een versterking van de culturele infrastructuur opleveren zoals dat in het noorden al veel eerder is gerealiseerd met het Noord Nederlands Orkest.

Blijft over Het Zuidelijk Toneel, verreweg de meest interessante casus. HZT heeft de afgelopen decennia een sterke reputatie opgebouwd met artistiek leiders als Ivo van Hove en Johan Simons. Beiden zijn inmiddels internationaal gevierde toneelleiders. De in 2009 aangetreden Matthijs Rumke wist dus in welke voetsporen hij zou treden. Wellicht onder druk van het hoge verwachtingspatroon heeft hij een valse start gemaakt. Zijn eerste produkties implodeerden onder de hoge artistieke pretenties. Op instigatie van zakelijk leider Gerard Tonen is vervolgens gekozen voor een veel meer publieksgerichte koers (voorstellingen met bekende cabaretiers als Bert Visscher) en een zwaar accent op de eigen regio, vormgegeven in strategische allianties met schouwburgen. Het resultaat was opzienbarend: bezoekersaantallen schoten omhoog maar de recensenten vonden het maar niks. De spagaat waarin HZT zich bevindt, publiekslieveling maar verstoten door de kunstkenners, is exemplarisch voor het Nederlandse kunstbeleid. Al in 1990 riep minister D’Ancona dat de gesubsidieerde kunst teveel in zichzelf gekeerd is en dat de sector zich veel meer op publiek en samenleving moet richten om te overleven. Ondanks herhaalde oproepen van haar opvolgers is er sindsdien geen wezenlijke verandering opgetreden. Dat is niet vreemd want de oorzaak is niet weggenomen. Die is namelijk gelegen in de wijze waarop de subsidieverdeling tot stand komt. De subsidiërende overheid stelt zich op het standpunt dit zelf niet te kunnen ( of willen) en heeft dit klusje uitbesteed aan de Raad voor Cultuur. Deze Raad heeft geen geobjectiveerde criteria ontwikkeld maar stelt periodiek commissies van deskundige vakgenoten samen. Dit deskundigenoordeel wordt ook als selectiemiddel in de wetenschap gehanteerd dus zou het ook passen op kunst en cultuur, zo luidt de redenatie. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het volgende: wetenschap is per definitie innovatief en slechts toegankelijk voor een select gezelschap deskundigen terwijl cultuur toegankelijk wil en behoort te zijn voor de hele samenleving. Hier openbaart zich het probleem van HZT in volle omvang: terwijl het publiek in grote getale toestroomt naar voorstellingen met NUHR en Marc-Marie Huybregts halen de deskundigen hun neus daarvoor op. Terwijl het draagvlak onder de bevolking voor HZT aantoonbaar toeneemt, straffen de deskundigen het gezelschap met een subsidiekorting.

Curieus is dat de voorzitter van de Raad, Joop Daalmeijer, nadrukkelijk stelt dat het ondernemerschap inde kunsten veel verbetering behoeft en daar voert hij sterke argumenten voor aan. Toch is hij zelf in de val gelopen van zijn eigen commissie theater die als vanouds de eigen smaak laat prevaleren boven zorgvuldig opgebouwde publiekssteun in de regio. Als het provinciebestuur zich ergens druk over moet maken, is het deze incongruentie in het beleid.

In het verlengde daarvan kan het provinciebestuur zich buigen over de vraag wat het precies beoogt met de kandidatuur voor Europese Culturele Hoofdstad: is het vooral te doen om imagoverbetering of gaat het om versterking van de eigen culturele component. HZT heeft zich recent ontwikkeld tot exponent van de laatste stroming. De opstelling van het provinciebestuur in deze casus kan zijn schaduw ver vooruit werpen.

Pim van Klink is als kunsteconoom zowel actief in de praktijk als in het academisch onderzoek

Comments are closed.